Schrijfopdracht #154: Iets wat vuil is, van 365 dagen schrijven is geworden: Vuil is wat zich voordoet als normaal.
Een haar in mijn eten? Ach. Modder op mijn broek? Geen probleem. Mijn handen zwart van de aarde? Eerder troostend dan goor. Klassiek vuil raakt me zelden. Maar er is iets anders dat ik wél vies vind. Iets dat zich niet in de hoeken van mijn huis verstopt, maar in de hoeken van de samenleving.
Wat ik echt goor vind, is overheersing. Egoïsme. Het bewust pijn doen van anderen om er zelf beter van te worden. Het liegen, het draaien, het reduceren van mensen tot cijfers. Die systemen waarin kwetsbaarheid wordt afgestraft en empathie als zwakte wordt gezien. Dát is vuil. Niet omdat het plakkerig is of stinkt, maar omdat het zich vermomt als normaal.
Mary Douglas zei: “Vuil is matter out of place.” En dat klopt. Want wat ik vies vind, is niet dat het bestaat — maar dat het zich nestelt in beleid, in reclame, in de taal van succes. Dat het zich verkleedt als ambitie, als realisme, als ‘zo werkt de wereld nu eenmaal’.
Dat is mijn tampon in de zee. Mijn haar in de soep. Mijn bloed op het witte laken. Niet omdat het op zichzelf vuil is, maar omdat het daar niet hoort. Omdat het schuurt tegen mijn waarden, tegen mijn hoop, tegen mijn idee van hoe het ook zou kunnen.
En misschien is dat het begin van opruimen. Niet met een bezem, maar met woorden. Met keuzes. Met het weigeren om mee te doen aan wat ik vies vind.
