Mijn oma was van alle markten thuis, zo ook parttime journaliste. Hieronder een heel aantal artikelen van mijn oma.
Vereniging Oud Edam
Mijn oma heeft jarenlang voor de Vereniging Oud Edam geschreven. Hieronder een opsomming van oud naar nieuw.
Op Schokland werden de karakteristieke, in houtbouw opgetrokken panden bezocht. Deze hebben, evenals het uit vroegere tijden bewaarde kerkje, een museale functie. Ook hier was veel interessants te zien. Naast allerlei geologische en archeologische bodemvondsten maakte de fascinerende dia- presentatie over de ontstaansgeschiedenis van de lage landen, diepe indruk. De oudste sporen van bewoning op Schokland dateren van tienduizenden jaren geleden. Ooit was het een groot eiland, dat rond het jaar 1000 in drie eilanden uiteenviel: Urk, Nagele en Schokland. In latere eeuwen verzonk Nagele, inclusief het
Janny Boelens-Boss
kapeldorpje, waarover in oude kronieken nog het een en ander te vinden is. Geteisterd door weer en wind kalfde het eiland meer en meer af tot op het laatst een kwart van de vroegere grootte. Evenals verscheidene terpboerderijtjes, verdween het middeleeuwse dorpje
Ens geheel onder water. De oorspronkelijk overwegend agrarische bevolking had tenslotte praktisch geen bestaansmogelijkheden meer en vertrok naar andere oorden. Ook voor de eertijds welvarende vissers werd het steeds moeilijker het hoofd boven water te houden, mede door de blokkade van de Nederlandse kusten door de Britten tijdens de Bataafse Republiek. De Schokkers bleef praktisch geen enkele ramp bespaard: de overvloed aan
haring in de Zuiderzee verdween even plotseling als hij was gekomen, terwijl de bot die gevangen werd, bijna onverkoopbaar was. In 1832 kreeg men met een cholera-epidemie te maken, die heel wat slachtoffers maakte. Verder een aantal strenge winters en steeds terug
kerende stormrampen. De armoede van de bevolking werd tenslotte dermate nijpend, dat Koning Willem III in 1859 bevel gaf het eiland te ontruimen. Tevens werd bepaald dat alle woningen moesten worden afgebroken. Alleen het kerkje bleef gespaard. De circa 600
Schokkers verspreidden zich voorjaar 1859 over verschillende plaatsen rond het IJsselmeer. Veel protestanten trokken naar Kampen en Vollenhove. Het katholieke volksdeel vestigde zich onder andere in Volendam, Edam en Purmerend. De excursiedag werd besloten met een rondwandeling in het historische stadje Hattem en een bezoek aan het Anton Pieck Museum.


d’Ye speelt
Wagenspel ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan Vereniging “Oud Edam”
Toneelplezier bij d’Ye voor 500 Edammertjes
Feest was het gisteren in het Damhotel, waar d’Ye twee keer voor een bomvolle zaal het stuk “De hebberd” speelde. In totaal genoten zo’n 500 kinderen volop van het toneelstuk, dat zich afspeelde in het dorp Sluimerdam, waar de inwoners zich opmaken voor de viering van het 900-jarig bestaan. Notaris Grijpstuiver (een prima rol van Wim Bak) heeft het spaargeld voor het feest in bewaring genomen, maar hij heeft zo zijn eigen opvatting over “bewaren”. Er dreigt oproer in het anders zo rustige dorp, waar de kinderen de notaris nu uit volle borst voor ‘Hebberd!’ uitmaken en met allerlei listen wordt geprobeerd het geld terug te krijgen. Uiteindelijk ontvouwt een deftige dame (een kittige rol van Riny Janssen) een prachtig plan, dat tot een feestelijke ontknoping lijkt. Voor de kinderen kon het niet op; in de pauze werd iedereen getracteerd op een zakje chips en na afloop ging ieder naar huis met een kleurige ballon en een pen.
NNC, Janny Boelens-Boss
Overige artikelen
De Speeltoren en Kleine Kerk in Edam
Vraagtekens rond een gevelsteen
In verleden en heden is in Edam gespeculeerd over de voorstelling op de gevelsteen van het Nutshuis. Een in meerdere opzichten bijzondere steen, want exemplaren met een versierend cartouche en een complementaire jaartalsteen zijn in Edam zeldzaam. De speculaties gaan over de vraag welke vogel op de steen is afgebeeld. In de volksmond circuleren twee theorieën: het is een struisvogel die een hoefijzer in de bek houdt, of het is een roerdomp. Om met de eerste te beginnen: het dier heeft inderdaad veel van een struisvogel weg en het pleit ten gunste van deze aanname lijkt te zijn beslecht door de verkoop in 1660 van het huis ‘De Vogelstruijs’ aan Willem Claesz Sloot. Uit het feit dat het dier een hoefijzer in zijn snavel werd toegedicht, blijkt overigens dat men met de vorm van de snavel toch wel in zijn maag zat. De tweede versie is ontleend aan de familienaam Putoor die in de zeventiende eeuw in Edam voorkwam. De familie Putoor heette eigenlijk Van Nerven. Jan Cornelisz van Nerven, getrouwd met Niesje Dirks, was omstreeks 1618 vanuit Brabant naar Edam gekomen. Van Nerven nam hier de naam Putoor aan, want, zo wil het verhaal, hij was een groot liefhebber van waterwild en een putoor is een soort reiger of roerdomp. De familie zou de vogel later in haar wapen hebben opgenomen . De relatie tussen Putoor en het huis aan de Kaasmarkt was in Edam gauw gelegd, maar ten onrechte. De brandewijnverkoper Jan Putoor woonde namelijk elders in de stad en het Nutshuis is zoals we zagen in 1622 gebouwd door Willem Cornelisz Roobacker.
Boelens-Boss
De struisvogel blijft dus over, maar hoe is de vreemde, voor een struisvogel veel te grote snavel te verklaren? De oplossing van het raadsel ligt in Veere. Eén van de ‘Schotse huizen’ (1561) heeft een gevelsteen, waarop een overeenkomstige vogel is afgebeeld met het opschrift ‘Struijs’. Daar is het dier in het verleden gedetermineerd als een dodo. Deze merkwaardige, sinds lang uitgestorven vogel, kwam voor op het eiland Mauritius en maakte op de zeelieden van de VOC-schepen naar de oost door zijn buitennissig voorkomen niet alleen veel indruk, maar werd door hen voor consumptiedoeleinden gedood. Onwetendheid van de doorsnee zeventiende-eeuwer over het preciese uiterlijk van de dodo verklaart waarom het dier op de Edamse gevelsteen voor een struisvogel is versleten.
Nu is nog niet de vraag beantwoord waarom Roobacker de ‘Vogelstruijs’ als ‘huismerk’ koos. Het antwoord op die vraag is in Haarlem en Purmerend te vinden. In Edam was een levendige handel in Haarlems bier. Een van de vele brouwerijen in die stad heette ‘de Vogelstruys’ en was eigendom van Pieter Olycan. Deze vermogende biersteker bezat aan de in 1615 aangelegde bierkade in Purmerend een pand – Bierkade 9 – dat eveneens de naam ‘de Vogelstruys’ droeg. Vermoedelijk was in dit huis een exportvestiging van zijn bedrijf. Zoals we zagen, was Olycan rond 1650 ook eigenaar van het Nutshuis in Edam. Het ligt voor de hand dat er ook in Edam een zakelijke band was tussen Olycan en eerdere eigenaren, met andere woorden, Roobacker betrok waarschijnlijk al in 1622 bier van de Haarlemse brouwerij ‘de Vogelstruys’. Zelfs is niet uitgesloten dat het pand als dependance van dit ‘moederbedrijf’ geheel of gedeeltelijk door de eigenaar daarvan is gefinancierd. De cirkel is dus rond: het dier op de gevelsteen is een dodo en het Edamse huis is vernoemd naar de Haarlemse brouwerij ‘de Vogelstruys’!
Er zijn vast nog veel meer artikelen van mijn oma. Niet allemaal staan ze digitaal natuurlijk. Als ik er eentje vind, zal ik hem toevoegen.
